De zorg staat onder druk en het aantal akkoorden met ‘nieuwe’ structuren en plannen groeit: IZA, AZWA, werkagenda’s, RESV’s, basisfunctionaliteiten… Voor veel professionals voelt het als een onoverzichtelijk geheel. Wat hoort bij wat, en wat betekent het concreet voor jouw werk? In dit artikel scheppen we helderheid en samenhang: we brengen de belangrijkste lijnen terug tot de kern en laten zien wat jij hier morgen al mee kunt.

Die kern is gelukkig eenvoudiger dan het lijkt. Het gaat om één beweging: van zorg naar gezondheid, en van versnippering naar samenwerking.
IZA: de basis onder de verandering
Het Integraal Zorgakkoord (IZA) vormt het fundament. Hierin is afgesproken dat zorgaanbieders, verzekeraars en overheid samen werken aan toekomstbestendige zorg. De inzet is duidelijk: zorg moet toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit blijven. Dat vraagt om betere samenwerking, meer inzet op preventie en het slimmer organiseren van zorg.
Voor de praktijk betekent dit dat regio’s aan de slag zijn gegaan met regioplannen en samenwerking tussen eerste lijn, ziekenhuiszorg, ggz en het sociaal domein. Veel initiatieven die je nu ziet – van regionale samenwerking tot digitale zorg – komen voort uit het IZA.
AZWA: de versnelling richting sociaal domein en preventie
Het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) bouwt hierop voort en legt een extra accent: niet alleen zorg, maar juist ook welzijn en preventie worden leidend. Het akkoord richt zich op twee grote doelen: het verminderen van het personeelstekort en het zorgen dat iedereen toegang heeft tot passende ondersteuning.
Wat nieuw en belangrijk is, is de duidelijke verschuiving naar “de voorkant”: problemen eerder signaleren en oplossen, zodat zwaardere zorg wordt voorkomen. Dat lukt alleen als zorg en sociaal domein écht samen optrekken.
Basisfunctionaliteiten en basisinfrastructuur: wat moet er gewoon zijn voor inwoners
Een belangrijk begrip in het AZWA is dat van basisfunctionaliteiten. Dat zijn geen losse projecten, maar voorzieningen en werkwijzen die overal beschikbaar moeten zijn. Denk aan sociaal verwijzen via de huisarts, valpreventie voor ouderen of ondersteuning bij mentale gezondheid. Deze functies liggen op het snijvlak van zorg, sociaal domein en publieke gezondheid en zijn landelijk afgesproken als minimaal noodzakelijk voor inwoners.
In het AZWA wordt dit aangeduid als D5: het organiseren van die basisfunctionaliteiten en daarmee het versterken van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein. Maar alleen afspraken over ‘wat je doet’ zijn niet genoeg. Daarom is er ook D6: de (sociale) basisinfrastructuur die nodig is om dit in de praktijk werkend te krijgen. Denk aan lokale teams, inloopvoorzieningen, samenwerkingsstructuren en de rol van bijvoorbeeld de GGD.
Basisfunctionaliteiten (D5) beschrijven wat er voor inwoners geregeld moet zijn, terwijl de basisinfrastructuur (D6) gaat over hoe je dit organiseert en borgt. Voor de praktijk betekent dit een belangrijke verschuiving: van tijdelijke projecten naar structurele voorzieningen, ondersteund door een stevig georganiseerd netwerk. In de regionale werkagenda komen deze twee samen.
De werkagenda voor gemeenten: van afspraak naar uitvoering
Uitwerking van het AZWA is dat gemeenten en regio’s, samen met zorgverzekeraars en aanbieders, in 2026 een regionale werkagenda moeten opstellen. Daarin staat concreet hoe die samenwerking vorm krijgt (D6) en welke voorzieningen beschikbaar komen (D5).
De regionale werkagenda vertaalt de landelijke afspraken naar concrete stappen in jouw regio. De werkagenda gaat over meer dan D5 en D6 alleen: het is het document waarin regio’s afspraken maken over wat ze gaan realiseren (D5) én hoe ze dat organiseren en borgen (D6), inclusief rollen, middelen en planning. In de werkagenda vind je:
- Welke keuzes regionaal worden gemaakt (bijv. welke basisfunctionaliteiten prioriteit krijgen).
- Hoe de werkagenda aansluit op het IZA-regioplan (de werkagenda is een aanvulling daarop).
- Hoe de regio dit organiseert (governance, rollen, samenwerking).
- Wie waarvoor verantwoordelijk is (mandaatgemeente, zorgverzekeraar, partners, SPUK-middelen).
- En hoe je dit alles opbouwt richting 2030 (fasering, ontwikkelagenda, opschaling).
De werkagenda is dus geen abstract document, maar juist het instrument om keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Voor beleidsmakers betekent dit sturen op samenhang. Voor professionals in het zorg- en welzijnsveld betekent het: duidelijkheid over wat er van je verwacht wordt en met wie je samenwerkt.
RPI: de infrastructuur onder preventie
Onderdeel van de basisinfrastructuur D6 is de regionale preventie-infrastructuur (RPI) om preventie en gezondheid structureel te organiseren. De RPI is geen los programma, maar de basis onder het geheel. De RPI beschrijft de regionale samenwerking tussen gemeenten, GGD, zorgverzekeraars, zorg- en welzijnspartijen.
Voor de praktijk betekent dit dat preventie niet meer iets is “erbij”, maar georganiseerd wordt als een structureel onderdeel van het systeem. Met duidelijke rollen, capaciteit en samenwerking.
D5 = wat organiseer je voor inwoners?
De basisfunctionaliteiten: wat overal beschikbaar moet zijn, zoals sociaal verwijzen of valpreventie.
D6 = hoe organiseer je dat?
De basisinfrastructuur die er moet komen (landelijke opdracht): samenwerking, lokale teams, netwerken en voorzieningen die dit mogelijk maken.
RPI = onderdeel van D6
De onderlaag in de hele samenwerking en praktische uitwerking van D6 in de praktijk: hoe geven we concreet invulling aan de samenwerking.
Werkagenda AZWA = hoe maak je dit concreet in jouw regio?
Hierin vertaal je D5 en D6 naar afspraken: wie doet wat, hoe werk je samen en hoe bouw je dit stap voor stap op.
Er is nog meer…
RESV: de motor achter een sterke eerste lijn
Tegelijk wordt stevig ingezet op het versterken van de eerste lijn. Dat gebeurt onder meer via Regionale Eerstelijns Samenwerkingsverbanden (RESV). De gedachte hierachter is dat de eerste lijn – huisartsen, wijkverpleging, apothekers, sociaal werkers, paramedici en anderen – het fundament vormt van goede zorg. Maar om die rol ook echt waar te maken, is betere organisatie en samenwerking nodig. In de praktijk betekent dit dat de eerste lijn zich sterker organiseert, beter samenwerkt met het sociaal domein en meer ruimte krijgt om complexe zorg- en welzijnsvragen gezamenlijk op te pakken.
De versterking van de eerste lijn via het RESV staat niet los van de ontwikkelingen rond preventie en samenwerking, maar vormt er juist een essentieel onderdeel van. Waar de regionale preventie‑infrastructuur (RPI) zich richt op het organiseren van samenwerking en randvoorwaarden rond preventie (D6), zorgt het RESV voor een sterke en goed georganiseerde eerste lijn die deze samenwerking in de praktijk waarmaakt. In de werkagenda komen deze lijnen samen: daarin maken regio’s niet alleen afspraken over de basisfunctionaliteiten en de infrastructuur, maar ook over hoe de eerste lijn hierin wordt gepositioneerd en ondersteund. Zo fungeert het RESV als verbindende schakel tussen beleid en uitvoering: het brengt professionals bij elkaar, versterkt de organisatiekracht van de eerste lijn en zorgt dat preventie en zorg daadwerkelijk samenkomen rond de inwoner.
MGN: mentaal gezondheidsnetwerk als voorbeeld hoe dit in praktijk werkt
Een concreet voorbeeld van hoe deze afspraken in de praktijk landen, is de ontwikkeling van mentale gezondheidsnetwerken (MGN). In deze netwerken werken huisartsen, ggz en het sociaal domein regionaal samen om mensen met mentale klachten sneller en passender te helpen. Een belangrijk instrument binnen het MGN is het verkennend gesprek: een gesprek tussen de inwoner, een professional uit de ggz en iemand uit het sociaal domein, waarin samen wordt onderzocht wat er écht speelt en welke ondersteuning het best past – zonder direct te medicaliseren of te verwijzen naar specialistische zorg.
Juist dit soort werkwijzen maken zichtbaar wat met de akkoorden wordt bedoeld: het verbinden van zorg en sociaal domein rond de vraag van de inwoner. Het MGN kan daarmee worden gezien als een concrete invulling van de beweging uit het IZA en AZWA. Het past inhoudelijk bij de basisfunctionaliteiten (D5) op het thema mentale gezondheid, en vraagt tegelijkertijd om een goed ingerichte preventie‑ en samenwerkingsinfrastructuur (D6 / RPI) om dit structureel te organiseren. In de werkagenda maken regio’s vervolgens afspraken over hoe het MGN wordt ingericht: hoe het verkennend gesprek en laagdrempelige steunpunten wordt ingezet, hoe partijen samenwerken en hoe dit duurzaam wordt georganiseerd en gefinancierd. Zo wordt ook hier de stap gezet van beleid naar dagelijkse praktijk.
Wat moet jij hiermee?
Als je alles bij elkaar neemt, zie je één duidelijke lijn. Het gaat niet om losse akkoorden of nieuwe termen, maar om een structurele verandering in hoe we werken.
Voor jou als professional of beleidsmaker betekent dit vooral drie dingen:
- Ten eerste: samenwerken over domeinen is geen optie meer, maar de standaard.
- Ten tweede: preventie en gezondheid krijgen een vaste plek in je werk, niet als project maar als onderdeel van de aanpak.
- En ten derde: regionale afspraken worden steeds bepalender voor wat je doet en hoe je het organiseert.
De uitdaging zit niet in het begrijpen van de termen, maar in het concreet maken in jouw regio. Juist daar ligt de rol van een ROS zoals Mura: helpen om de brug te slaan tussen beleid en praktijk, tussen afspraken en uitvoering.
Meer weten en aan de slag?
Anne-Marie of Eefje gaan graag met je in gesprek.


